Caribbean Credit Bureau

Privacy Act Curacao

 

Deze wet is per 1 october 2013 van kracht.


 

AFKONDIGINGSBLAD CURAÇAO

 

2010 no.84

 

 

LANDSVERORDENING van de 4de september 2010 houdende regels inzake de bescherming van persoonsgegevens (Landsverordening bescherming persoonsgegevens)

 

 

IN NAAM DER KONINGIN

 

DE GOUVERNEUR VAN CURAÇAO

 

 

 

Hoofdstuk 1.   Algemene bepalingen

 

 

Artikel 1

 

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;

b. verwerking van persoonsgegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen,vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens;

c. bestand: elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens, ongeacht of dit geheel van gegevens gecentraliseerd is of verspreid is op een functioneel of geografisch bepaalde wijze, dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen;

d. verantwoordelijke: de natuurlijke persoon, rechtspersoon of ieder ander die of het bestuursorgaan dat, alleen of te samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt;

e. bewerker: degene die ten behoeve van de verantwoordelijke persoonsgegevens verwerkt, zonder aan zijn rechtstreeks gezag te zijn onderworpen;

f. betrokkene: degene op wie een persoonsgegeven betrekking heeft;

g. derde: ieder, niet zijnde de betrokkene, de verantwoordelijke, de bewerker, of enig persoon die onder rechtstreeks gezag van de verantwoordelijke of de bewerker gemachtigd is om persoonsgegevens te verwerken;

h. ontvanger: degene aan wie de persoonsgegevens worden verstrekt;

1. toestemming van de betrokkene: elke vrije, specifieke en op informatie berustende wilsuiting waarmee de betrokkene aanvaardt dat hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt;

j. de Minister: de Minister van Bestuur, Planning en Dienstverlening;

k. het College bescherming persoonsgegevens of het College: het College genoemd in artikel 41;

1. verstrekken van persoonsgegevens: het bekend maken of ter beschikking tellen van persoonsgegevens;

m. verzamelen van persoonsgegevens: het verkrijgen van persoonsgegevens;

n. het Land of Curaçao: het Land Curaçao.

 

Artikel 2 

1. Deze verordening is van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede de niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.

2. Deze verordening is niet van toepassing op verwerking van persoonsgegevens:

a. ten behoeve van activiteiten met uitsluitend persoonlijke of huishoudelijke doeleinden;

b. door of ten behoeve van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van het Land, bedoeld in artikel 3 sub g van de Politieregeling en nader uitgewerkt in het Landsbesluit regelende de taak en organisatie van de Inlichtingendienst;

c. ten behoeve van de uitvoering van de politietaak, bedoeld in artikel 2 van de Politieregeling;

d. ten behoeve van de uitvoering van de Landsverordening houdende bepalingen betreffende de justitiële documentatie en de verklaringen omtrent het gedrag;

e. die is geregeld bij of krachtens de Landsverordening basisadministratie persoonsgegevens en

f. ten behoeve van de uitvoering van het Kiesreglement.

3. Deze verordening is niet van toepassing op verwerking van persoonsgegevens door de krijgsmacht indien de Minister van Defensie van het Koninkrijk der Nederlanden daartoe beslist met het oog op de inzet of het ter beschikking stellen' van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Van de beslissing wordt zo spoedig mogelijk mededeling gedaan aan het College.

 

Artikel 3  

1. Deze verordening is niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens voor uitsluitend journalistieke, artistieke of literaire doeleinden, behoudens de overige bepalingen van dit hoofdstuk, alsmede de artikelen 6 tot en met 11, 13 tot en met 15 en 39.

2. Het verbod om persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 te verwerken is niet van toepassing voor zover dit noodzakelijk is voor de doeleinden als bedoeld in het eerste lid. 

 

Artikel 4

1. Deze verordening is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van activiteiten van een vestiging van een verantwoordelijke in Curaçao.

2. Deze verordening is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door of ten behoeve van een verantwoordelijke die geen vestiging heeft in Curaçao, waarbij gebruik wordt gemaakt van al dan niet geautomatiseerde middelen die zich in Curaçao bevinden, tenzij deze middelen slechts worden gebruikt voor de doorvoer van persoonsgegevens.

3. Het is een verantwoordelijke als bedoeld in het tweede lid, verboden persoonsgegevens te verwerken, tenzij hij in Curaçao een persoon of instantie aanwijst die namens hem handelt overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen, wordt hij aangemerkt als de verantwoordelijke.

 

Artikel 5  

1. Indien de betrokkene minderjarig is en de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, of onder curatele is gesteld, dan wel ten behoeve van de betrokkene een mentorschap is ingesteld, is in de plaats van de toestemming van de betrokkene die van zijn wettelijk vertegenwoordiger vereist.

2. Een toestemming kan door de betrokkene of zijn wettelijk vertegenwoordiger te allen tijde worden ingetrokken

 

Hoofdstuk 2. Voorwaarden voor de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens

 

Paragraaf 1. De verwerking van persoonsgegevens in het algemee 

 

 

Artikel 6

Persoonsgegevens worden in overeenstemming met de verordening en op behoorlijke en zorgvuldige wijze verwerkt.

 

Artikel 7

Persoonsgegevens worden voor wel bepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden verzameld.

 

Artikel 8

Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt indien:

a. de betrokkene voor de verwerking zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend;

b. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of voor het nemen van precontractuele maatregelen naar aanleiding van een verzoek van de betrokkene en die noodzakelijk zijn voor het sluiten van een overeenkomst;

c. de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke onderworpen is;

d. de gegevensverwerking noodzakelijk is ter vrijwaring van een vitaal belang van de betrokkene;

e. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiek­ rechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt, of

f. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerecht­ vaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.

 

Artikel 9

1. Persoonsgegevens worden niet verder verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor ze zijn verkregen.

2. Bij de beoordeling of een verwerking onverenigbaar is als bedoeld in het eerste lid, houdt de verantwoordelijke in elk geval rekening met:

a. de verwantschap tussen het doel van de beoogde verwerking en het doel waar voor de gegevens zijn verkregen;

b. de aard van de betreffende gegevens;

c. de gevolgen van de beoogde verwerking voor de betrokkene;

d. de wijze waarop de gegevens zijn verkregen en

e. de mate waarin jegens de betrokkene wordt voorzien in passende waarborgen.

3. Verdere verwerking van de gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden, wordt niet als onverenigbaar beschouwd, indien de verantwoordelijke de nodige voorzieningen heeft getroffen ten einde te verzekeren dat de verdere verwerking uitsluitend geschiedt ten behoeve van deze specifieke doeleinden.

4. De verwerking van persoonsgegevens blijft achterwege voor zover een geheimhoudingsplicht uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift daaraan in de weg staat.

 

Artikel 10

1. Persoonsgegevens worden niet langer bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkene te identificeren, dan noodzakelijk is voor de verwerkelijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt.

2. Persoonsgegevens mogen langer worden bewaard dan bepaald in het eerste lid voor zover ze voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden worden bewaard, en de verantwoordelijke de nodige voorzieningen heeft getroffen ten einde te verzekeren dat de desbetreffende gegevens uitsluitend voor deze specifieke doeleinden worden gebruikt.

 

Artikel 11

1. Persoonsgegevens worden slechts verwerkt voor zover zij, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig zijn.

2. De verantwoordelijke treft de nodige maatregelen opdat persoonsgegevens, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, juist en nauwkeurig zijn.

 

Artikel 12

1. Een ieder die handelt onder het gezag van de verantwoordelijke of van de bewerker, alsmede de bewerker zelf, voor zover deze toegang hebben tot persoonsgegevens, verwerkt deze slechts in opdracht van de verantwoordelijke, behoudens afwijkende wettelijke verplichtingen.

2. De personen, bedoeld in het eerste lid, voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift een geheimhoudingsplicht geldt, zijn verplicht tot geheimhouding van de persoonsgegevens waarvan zij kennis nemen, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. Artikel 285, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing.

 

Artikel 13

De verantwoordelijke legt passende technische en organisatorische maatregelen ten uitvoer om persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking. Deze maatregelen garanderen, rekening houdend met de stand van de techniek en de kosten van de tenuitvoerlegging, een passend beveiligingsniveau gelet op de risico's die de verwerking en de aard van te beschermen gegevens met zich meebrengen. De maatregelen zijn er mede op gericht onnodige verzameling en verdere verwerking van persoonsgegevens te voorkomen.

 

Artikel 14

1. Indien de verantwoordelijke persoonsgegevens te zijnen behoeve laat verwerken door een bewerker, draagt hij zorg dat deze voldoende waarborgen biedt ten aanzien van de technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen met betrekking tot de te verrichten verwerkingen. De verantwoordelijke ziet toe op de naleving van die maatregelen.

2. De uitvoering van verwerkingen door een bewerker wordt geregeld in een overeenkomst of krachtens een andere rechtshandeling waardoor een verbintenis ontstaat tussen de bewerker en de verantwoordelijke.

3. De verantwoordelijke draagt zorg dat de bewerker:

a. de persoonsgegevens verwerkt in overeenstemming met artikel 12, eerste lid en

b. de verplichtingen nakomt die op de verantwoordelijke rusten ingevolge artikel 13.

4. Is de bewerker gevestigd in een ander land binnen het Koninkrijk der Nederlandendan draagt de verantwoordelijke zorg dat de bewerker het recht van dat andere land nakomt, in afwijking van het derde lid, onderdeel b.

5. Met het oog op het bewaren van het bewijs worden de onderdelen van de overeenkomst of de rechtshandeling die betrekking hebben op de bescherming van persoonsgegevens, alsmede de beveiligingsmaatregelen als bedoeld in artikel 13 schriftelijk of in een andere, gelijkwaardige vorm vastgelegd.

 

Artikel 15 

De verantwoordelijke draagt zorg voor de naleving van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 6 tot en met 12 en 14, tweede en vijfde lid

 

Paragraaf 2. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens

 

Artikel 16

De verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levens­ overtuiging , ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven, alsmede persoonsgegevens betreffende het lidmaatschap van een vakvereniging is verboden behoudens het bepaalde in deze paragraaf. Hetzelfde geldt voor strafrechtelijke persoonsgegevens en persoonsgegevens over onrechtmatig of hinderlijk gedrag in verband met een opgelegd verbod naar aanleiding van dat gedrag.

 

Artikel 17

1. Het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levens­ overtuiging te verwerken als bedoeld in artikel 16, is niet van toepassing indien de verwerking geschiedt door:

a. kerkgenootschappen, zelfstandige onderdelen daarvan of andere genootschappen op geestelijke grondslag voor zover het gaat om gegevens van daartoe behorende personen;

b. instellingen op godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag, voor zover dit gelet op het doel van de instelling en voor de verwezenlijking van haar grondslag noodzakelijk is, of

c. andere instellingen voor zover dit noodzakelijk is met het oog op de geestelijke verzorging van de betrokkene, tenzij deze daartegen schriftelijk bezwaar heeft gemaakt.

2. In de gevallen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is het verbod tevens niet van toepassing op persoonsgegevens betreffende godsdienst of levensovertuiging van de gezinsleden van de betrokkene voor zover:

a. het betreffende genootschap met die gezinsleden uit hoofde van haar doelstelling regelmatige contacten onderhoudt en

b. die gezinsleden daartegen geen schriftelijk bezwaar hebben gemaakt.

3. In de gevallen als bedoeld in het eerste en tweede lid worden geen persoons­gegevens aan derden verstrekt zonder uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene.

 

Artikel 18 

Het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands ras te verwerken als bedoeld in artikel 16, is niet van toepassing indien de verwerking geschiedt:

a. met het oog op de identificatie van de betrokkene en slechts voor zover dit voor dit doel onvermijdelijk is; .

b. met het doel personen van een bepaalde etnische of culturele minderheidsgroep een bevoorrechte positie toe te kennen ten einde feitelijke nadelen verband houdende met de grond ras op te heffen of te verminderen en slechts indien:

1.         dit voor dat doel noodzakelijk is;

2.         de gegevens slechts betrekking hebben op het geboorteland van de betrokkene, van diens ouders of grootouders, dan wel op andere, bij landsverordeningvastgestelde criteria, op grond waarvan op objectieve wijze vastgesteld kan worden of iemand tot een minderheidsgroep als bedoeld in de aanhef van onderdeel b behoort, en

3.         de betrokkene daartegen geen schriftelijk bezwaar heeft gemaakt.

 

Artikel19

1. Het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands politieke gezindheid te verwerken als bedoeld in artikel 16, is niet van toepassing indien de verwerking geschiedt:

a. door instellingen op politieke grondslag betreffende hun leden of hun werknemers dan wel andere tot de instelling behorende personen, voor zover dit gelet op het doel van de instelling noodzakelijk is voor de verwezenlijking van haar grondslag, of

b. met het oog op de eisen die met betrekking tot politieke gezindheid in redelijkheid kunnen worden gesteld in verband met de vervulling van functies in bestuursorganen en adviescolleges.

2. In het geval als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden geen persoonsgegevens aan derden verstrekt zonder uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene.

 

Artikel 20 

1. Het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands lidmaatschap van een vakbond te verwerken als bedoeld in artikel 16, is niet van toepassing indien de verwerking geschiedt door de betreffende vakbond of de vakcentrale waarvan die bond een onderdeel vormt, voor zover dat gelet op de doelstelling van de vakbond of centrale noodzakelijk is.

2. In het geval als bedoeld in het eerste lid worden geen persoonsgegevens aan derden verstrekt zonder uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene.

 

Artikel 21

1. Het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid te verwerken als bedoeld in artikel 16, is niet van toepassing indien de verwerking geschiedt door:

a. hulpverleners, instellingen of voorzieningen voor gezondheidszorg of maat­ schappelijke dienstverlening voor zover dat met het oog op een goede behandeling of verzorging van de betrokkene, dan wel bet beheer van de betreffende instelling of beroepspraktijk noodzakelijk is;

b. verzekeraars als bedoeld in artikel 1 onderdeel g van de Landsverordening Toezicht Verzekeringsbedrijf die bemiddelen in verzekeringen als bedoeld in artikel 1 onderdelen a en b van die verordening, voor zover dat noodzakelijk is voor:

i.          de beoordeling van het door de verzekeraar te verzekeren risico en de betrokkene geen schriftelijk bezwaar heeft gemaakt; of

ii.         de uitvoering van de overeenkomst van verzekering;

c. scholen voor zover dat met het oog op de speciale begeleiding van leerlingen ofhet treffen van bijzondere voorzieningen in verband met hun gezondheidstoestand noodzakelijk is;

d. een reclasseringsinstelling, een bijzondere reclasseringsambtenaar en de raad voor de kinderbescherming of de stichting, bedoeld in artikel 1 van de Landsverordening houdende beginselen en voorschriften omtrent maatregelen ten opzichte van jeugdige personen, bedoeld in artikel 302, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek,voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de bun wettelijk opgedragen taken;

e. de Minister van Justitie voor zover dat in verband met de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen noodzakelijk is of

f. bestuursorganen, pensioenfondsen, werkgevers of instellingen die te hunnen behoeve werkzaam zijn voor zover dat noodzakelijk is voor:

1. een goede uitvoering van wettelijke voorschriften, pensioenregelingen of collectieve arbeidsovereenkomsten die voorzien in aanspraken die afhankelijk zijn van de gezondheidstoestand van de betrokkene of

2. de re-integratie of begeleiding van werknemers of uitkeringsgerechtigden in verband met ziekte of arbeidsongeschiktheid.  In de gevallen bedoeld in het eerste lid worden de gegevens alleen verwerkt door persoon en die uit hoof de van ambt, beroep of wettelijk voorschrift, dan wel krachtens een overeenkomst tot geheimhouding zijn verplicht. Indien de verantwoordelijke gegevens persoonlijk verwerkt en op hem niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift een geheimhoudingsplicht rust, is hij verplicht tot geheim­ houding van de gegevens, behoudens voor zover een wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak voortvloeit dat de gegevens worden meegedeeld aan anderen die krachtens het eerste lid bevoegd zijn tot verwerking daarvan. Artikel 285, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing.

3. Het verbod om andere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 te verwerken, is niet van toepassing voor zover dit noodzakelijk is in aanvulling op de verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, met het oog op een goede behandeling of verzorging van de betrokkene.

4. Persoonsgegevens betreffende erfelijke eigenschappen mogen slechts worden verwerkt voor zover deze verwerking plaatsvindt met betrekking tot de betrokkene bij wie de betreffende gegevens zijn verkregen, tenzij:

a. een zwaarwegend geneeskundig belang prevaleert of

b. de verwerking noodzakelijk is ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek. In het geval bedoeld in onderdeel b, is artike123, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

5. Bij landsbesluit houdende algemene maatregelen kunnen omtrent de toepassing van het eerste lid, onderdelen b en f, nadere regels worden gesteld.

 

Artikel 22

1. Het verbod om strafrechtelijke persoonsgegevens te verwerken bedoeld in artikel 16, is niet van toepassing indien de verwerking geschiedt door organen die bij of krachtens een wettelijk voorschrift zijn belast met de toepassing van het strafrecht, alsmede door verantwoordelijken die deze hebben verkregen krachtens de Landverordening houdende bepalingen betreffende de justitiële documentatie en de verklaringen omtrent het gedrag.

2. Het verbod is niet van toepassing op de verantwoordelijke die deze gegevens ten eigen behoeve verwerkt ter: .

a. beoordeling van een verzoek van betrokkene om een beslissing over hem te nemen of aan hem een prestatie te leveren of

b. bescherming van zijn belangen voor zover het gaat om strafbare feiten die zijn of op grond van feiten en omstandigheden naar verwachting zullen worden gepleegd jegens hem of jegens personen die in zijn dienst zijn.

3. Het verbod om andere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 te verwerken, is niet van toepassing voor zover dit noodzakelijk is in aanvulling op de verwerking van strafrechtelijke gegevens voor de doeleinden waarvoor deze gegevens worden verwerkt.

4. Het tweede en derde lid is van overeenkomstige toepassing op persoonsgegevens betreffen de een door de rechter opgelegd verbod naar aanleiding van onrechtmatig of hinderlijk gedrag.

 

Artikel 23

1. Onverminderd de artikelen 17 tot en met 22 is het verbod om persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16, te verwerken met van toepassing voor zover:

a. dit geschiedt met uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene;

b. de gegevens door de betrokkene duidelijk openbaar zijn gemaakt;

c. dit noodzakelijk is voor de vaststelling, de uitoefening of de verdediging van een recht in rechte;

d. dit noodzakelijk is ter voldoening aan een volkenrechtelijke verplichting of

e. dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, passende waarborgen worden geboden ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer en dit bij of krachtens verordening wordt bepaald dan wel de Minister ontheffing heeft verleend. De Minister kan bij de verlening van ontheffing beperkingen en voorschriften opleggen.

2. Het verbod om persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16, te verwerken ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek is niet van toepassing voor zover:

a. het onderzoek een algemeen belang dient,

b. de verwerking voor het betreffende onderzoek of de betreffende statistieknoodzakelijk is,

c. het vragen van uitdrukkelijke toestemming onmogelijk blijkt of een oneven­redige inspanning kost en

d. bij de uitvoering is voorzien in zodanige waarborgen dat de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene niet onevenredig wordt geschaad.

 

Artikel 24

1. Een nummer dat ter identificatie van een persoon bij verordening is voorgeschreven, wordt bij de verwerking van persoonsgegevens slechts gebruikt ter uitvoering van de betreffende verordening dan wel voor doeleinden bij de verordening bepaald.

2. Bij landsbesluit houdende algemene maatregelen kunnen andere dan in het eerste lid bedoelde gevallen worden aangewezen waarin een daarbij aan te wijzen nummer als bedoeld in het eerste lid, kan worden gebruikt. Daarbij kunnen nadere regels worden gegeven over het gebruik van een zodanig nummer

 

Hoofdstuk 3. Informatieverstrekking aan de betrokkene

 

 Artikel 25

1. Indien persoonsgegevens worden verkregen bij de betrokkene, deelt de verantwoordelijke voor het moment van de verkrijging de betrokkene de informatie, bedoeld in het tweede en derde lid mede, tenzij de betrokkene daarvan reeds op de hoogte is.

2. De verantwoordelijke deelt de betrokkene zijn identiteit en de doeleinden van de verwerking waarvoor de gegevens zijn bestemd, mede.

3. De verantwoordelijke verstrekt nadere informatie voor zover dat gelet op de aard van de gegevens, de omstandigheden waaronder zij worden verkregen of het gebruik dat ervan wordt gemaakt, nodig is om tegenover de betrokkene een behoorlijke en zorgvuldige verwerking te waarborgen.

 

Artikel 26 

1. Indien persoonsgegevens worden verkregen op een andere wijze dan bedoeld in artikel2S, deelt de verantwoordelijke de betrokkene de informatie, bedoeld in het tweede en derde lid mede, tenzij deze reeds daarvan op de hoogte is:

a. op het moment van vastlegging van hem betreffende gegevens, of

b. wanneer de gegevens bestemd zijn om te worden verstrekt aan een derde, uiterlijk op het moment van de eerste verstrekking.

2. De verantwoordelijke deelt de betrokkene zijn identiteit en de doeleinden van de verwerking mede.

3. De verantwoordelijke verstrekt nadere informatie voor zover dat gelet op de aard van de gegevens, de omstandigheden waaronder zij worden verkregen of het gebruik dat ervan wordt gemaakt, nodig is om tegenover de betrokkene een behoorlijke en zorgvuldige verwerking te waarborgen.

4. Het eerste lid is niet van toepassing indien mededeling van de informatie aan de betrokkene onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost. In dat geval legt de verantwoordelijke de herkomst van de gegevens vast.

5. Het eerste lid is evenmin van toepassing indien de vastlegging of de verstrekking bij of krachtens verordening is voorgeschreven. In dat geval dient de verantwoordelijke de betrokkene op diens verzoek te informeren over het wettelijk voorschrift dat tot de vastlegging of verstrekking van de hem betreffende gegevens heeft geleid.

 

Hoofdstuk 4. Rechten van de betrokkene

 

Artikel 27

1. De betrokkene beeft het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

2. Indien zodanige gegevens worden verwerkt, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking beeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

3. Voordat een verantwoordelijke een mededeling doet als bedoeld in het eerste lid,. waartegen een derde naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt hij die derde in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien de mededeling gegevens bevat die hem betreffen, tenzij dit onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost.

4.. Desgevraagd doet de verantwoordelijke aan de betrokkene mededeling omtrent de logica die ten grondslag ligt aan de geautomatiseerde verwerking van hem betreffende gegevens.

 

Artikel 28

1. Degene aan wie overeenkomstig artikel 27 kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens, kan de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen. .

2. De verantwoordelijke bericht de verzoeker binnen vier weken na ontvangst van bet verzoek schriftelijk of, dan wel in hoeverre hij daaraan voldoet. Een weigering is met redenen omkleed.

3. De verantwoordelijke draagt zorg dat een beslissing tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd.

4. Indien de persoonsgegevens zijn vastgelegd op een gegevensdrager waarin geen wijzigingen kunnen worden aangebracht, dan treft hij de voorzieningen die nodig zijn om de gebruiker van de gegevens te informeren over de onmogelijkheid van verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming ondanks het feit dat er grond is voor aanpassing van de gegevens op grond van dit artikel.

5. Het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid is niet van toepassing op bij verordening ingestelde openbare registers, indien in die verordening een bijzondere procedure voor de verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming van gegevens is opgenomen.

 

Artikel 29 

1.Indien een gewichtig belang van de verzoeker dit eist, voldoet de verantwoordelijke aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 27 en 28, in een andere dan schriftelijke vorm, die aan dat belang is aangepast.

2. De verantwoordelijke draagt zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker.

3. De verzoeken, bedoeld in de artikelen 27 en 28, worden ten aanzien van minderjarigen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt, ten aanzien van onder curatele gestelden, gedaan door hun wettelijke vertegenwoordigers. De betrokken mededeling geschiedt eveneens aan de wettelijke vertegenwoordigers

 

Artikel 30 

1. De verantwoordelijke die naar aanleiding van een verzoek op grond van artikel 28 persoonsgegevens heeft verbeterd, aangevuld, verwijderd of afgeschermd, is verplicht om aan derden aan wie de gegevens daaraan voorafgaand zijn verstrekt, zo spoedig mogelijk kennis te geven van de verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming, tenzij dit onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost.

2. De verantwoordelijke doet aan de verzoeker, bedoeld in artikel 28, desgevraagd opgave van degenen aan wie hij de mededeling heeft gedaan.

 

Artikel 31

1. De verantwoordelijke kan voor een bericht als bedoeld in artikel 27 een bij of krachtens landsbesluit houdende algemene maatregelen vast te stellen vergoeding van kosten verlangen die ten hoogste NAf. 12,- bedraagt.

2. De vergoeding wordt teruggegeven in geval de verantwoordelijke op verzoek van de betrokkene, of op bevel van de rechter tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming is overgegaan.

 

Artikel 32

1. Indien gegevens het voorwerp zijn van verwerking op grond van artikel 8, onderdelen e en f, kan de betrokkene daartegen bij de verantwoordelijke te allen tijde verzet aantekenen in verband met zijn bijzondere persoonlijke omstandig­ heden.

2. De verantwoordelijke beoordeelt binnen vier weken na ontvangst van het verzet of het verzet gerechtvaardigd is. Indien het verzet gerechtvaardigd is beëindigt hij terstond de verwerking.

3. De verantwoordelijke kan voor het in behandeling nemen van een verzet een vergoeding van kosten verlangen, die niet hoger mag zijn dan een bij of krachtens landsbesluit houdende algemene maatregelen vast te stellen bedrag. De vergoeding wordt teruggegeven in geval het verzet gegrond wordt bevonden.

4. Dit artikel is niet van toepassing op openbare registers die bij verordening zijn ingesteld.

 

Artikel 33 

1. Indien gegevens worden verwerkt in verband met de totstandbrenging of de instandhouding van een directe relatie tussen de verantwoordelijke of een derde en de betrokkene met het oog op werving voor commerciële of charitatieve doelen, kan de betrokkene daartegen bij de verantwoordelijke te allen tijde kosteloos verzet aantekenen.

2. In geval van verzet treft de verantwoordelijke de maatregelen om deze vorm van verwerking terstond te beëindigen,

3. De verantwoordelijke die voornemens is persoonsgegevens aan derden te verstrekken of voor rekening van derden te gebruiken voor het in het eerste lid bedoelde doel, neemt passende maatregelen om de betrokkenen de mogelijkheden bekend te maken tot het doen van verzet. De bekendmaking vindt plaats via een of meer dag-, nieuws, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze in zowel het Nederlands ais in het Papiaments. Bij regelmatige verstrekking aan derden of gebruik voor rekening van derden vindt de bekendmaking ten minste eens per jaar plaats. .

4. De verantwoordelijke die persoonsgegevens verwerkt voor het in het eerste lid bedoelde doel, draagt zorg dat, indien daartoe rechtstreeks een boodschap aan de betrokkene wordt toegezonden, deze daarbij telkens wordt gewezen op de mogelijkheid tot het doen van verzet in zowel het Nederlands als in het Papiaments.

 

Artikel 34

1. Niemand kan worden onderworpen aan een besluit waaraan voor hem rechts­ gevolgen zijn verbonden of dat hem in aanmerkelijke mate treft, indien dat besluit alleen wordt genomen op grond van een geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens bestemd om een beeld te krijgen van bepaalde aspecten van zijn persoonlijkheid. 2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien het daar bedoelde besluit:

a. wordt genomen in het kader van het sluiten of uitvoeren van een overeenkomst en

1°. aan het verzoek van de betrokkene is voldaan of

2°. passende maatregelen zijn genomen ter bescherming van zijn gerechtvaardigd belang, of

b. zijn grondslag vindt in een verordening waarin maatregelen zijn vastgelegd die strekken tot bescherming van het gerechtvaardigde belang van de betrokkene.

3. Een passende maatregel als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is getroffen indien de betrokkene in de gelegenheid is gesteld omtrent het besluit als bedoeld in het eerste lid, zijn zienswijze naar voren te brengen .

4. In het geval, bedoeld in het tweede lid, deelt de verantwoordelijke de betrokkene de logica mee die ten grondslag ligt aan de geautomatiseerde verwerking van hem betreffende gegevens.

 

Hoofdstuk 5. Uitzonderingen en beperkingen 

 

Artikel 35

De verantwoordelijke kan de artikelen 9, eerste lid, 25, 26 en 27 buiten toepassing laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van:

a. de veiligheid van het Land 

b. de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten;

c. gewichtige economische en financiële belangen van het Land en andere openbare lichamen;

d. het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften die zijn gesteld ten behoeve van de belangen, bedoeld in onderdelen b en c, of

e. de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.

 

Artikel 36

1. Indien een verwerking plaatsvindt door instellingen of diensten voor weten­ schappelijk onderzoek of statistiek, en de nodige voorzieningen zijn getroffen als te verzekeren dat de persoonsgegevens uitsluitend voor statistische en weten­ schappelijke doeleinden kunnen worden gebruikt, kan de verantwoordelijke een mededeling als bedoeld in artikel 26 achterwege laten en weigeren aan een verzoek als bedoeld in artikel 27 te voldoen.

2. Indien een verwerking plaatsvindt van persoonsgegevens die deel uitmaken van archiefbescheiden die ingevolge artikel 5 van de Archieflandsverordening zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, kan de verantwoordelijke een mededeling als bedoeld in artikel 26 achterwege laten.

 

Hoofdstuk 6. Rechtsbescherming

 

Artikel 37

Een beslissing op een verzoek als bedoeld in de artikelen 27,28 en 30, tweede lid, alsmede een beslissing naar aanleiding van de aantekening van verzet als bedoeld in de artikelen 32 of 33 gelden voor zover deze is genomen door een bestuursorgaan als een beschikking in de zin van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak.

 

Artikel 38

1. dien een beslissing als bedoeld in artikel 37 is genomen door een ander dan een bestuursorgaan, kan de belanghebbende zich tot het Gerecht wenden met het schriftelijk verzoek, de verantwoordelijke te bevelen alsnog een verzoek als bedoeld in de artikelen 27, 28 of 30, tweede lid, toe of te wijzen dan wel een verzet als bedoeld in de artikelen 32 of 33 al dan niet te honoreren.

2. Het verzoekschrift moet worden ingediend binnen zes weken na ontvangst van het antwoord van de verantwoordelijke. Indien de verantwoordelijke niet binnen de gestelde termijn heeft geantwoord, moet het verzoekschrift worden ingediend binnen zes weken na afloop van die termijn.

3. Het Gerecht wijst het verzoek toe, voor zover zij dit gegrond oordeelt. Alvorens het Gerecht beslist, stelt zij zo nodig de belanghebbenden in de gelegenheid hun zienswijze naar voren te brengen .

4. De indiening van het verzoekschrift behoeft niet door een advocaat te geschieden.

5. De derde afdeling van de vijfde titel van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering -is van overeenkomstige toepassing.

6. Het Gerecht kan partijen en anderen verzoeken binnen een door haar te bepalen termijn schriftelijke inlichtingen te geven en onder hen berustende stukken in te zenden. De verantwoordelijke en belanghebbende zijn verplicht aan dit verzoek te voldoen. De artikelen 24 en 29 van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak zijn van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 39

1. Indien iemand schade lijdt doordat ten opzichte van hem in strijd wordt gehandeld met de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften zijn de volgende leden van toepassing, onverhinderd de aanspraken op grond van andere wettelijke regels.

2. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding.

3. De verantwoordelijke is aansprakelijk voor de schade of het nadeel, voortvloeiende niet het niet-nakomen van de in het eerste lid bedoelde voorschriften. De bewerker is aansprakelijk voor die schade of dat nadeel, voor zover ontstaan door zijn werkzaamheid.

4. De verantwoordelijke of de bewerker kan geheel of gedeeltelijk worden ontheven van deze aansprakelijkheid, indien hij bewijst dat de schade hem niet kan worden toegerekend.

 

Artikel 40

1. Indien de verantwoordelijke of de bewerker handelt in strijd met het bij of krachtens de verordening bepaalde en een ander daardoor schade lijdt of dreigt te lijden, kan het Gerecht hem op vordering van die ander zodanig gedrag verbieden en hem bevelen maatregelen te treffen tot herstel van de gevolgen van dat gedrag.

2. Een verwerking kan niet ten grondslag worden gelegd aan een vordering van eenrechtspersoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak of artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek, voor zover degene die door deze verwerking wordt getroffen, daartegen bezwaar heeft.

 

Hoofdstuk 7. Toezicht

 

Artike1 41

1. Er is een College bescherming persoonsgegevens dat tot taak heeft toe te zien op de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig het bij of krachtens de verordening bepaalde. Tevens houdt het College toezicht op de verwerking van persoonsgegevens in het Land, wanneer de verwerking plaatsvindt overeenkomstig het recht van een ander land van het Koninkrijk der Nederlanden.

2. Het College vervult overigens de taken, hem bij verordening en ingevolge verdrag opgedragen.

3. Het College vervult zijn taken in onafhankelijkheid.

 

Artikel 42

1. Het College bestaat uit een voorzitter en twee andere leden.

2. De voorzitter alsmede de andere twee leden wordt bij landsbesluit, op voordracht van de Minister, benoemd voor een tijdvak van vijf jaren.

3. Om tot voorzitter of lid van het College te kunnen worden benoemd moet men:

a. Nederlander zijn,

b. de leeftijd van vijf en dertig jaren hebben bereikt, e. woonplaats hebben binnen Curaçao, en

d. voldoen aan een bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vastgesteld profiel.

4. Het ambt van voorzitter of lid van het College is onverenigbaar met het ambt of de functie van:

a. lid van de Staten;

b. actief dienend ambtenaar.

5. Het ambt van voorzitter of lid van het College is tevens onverenigbaar met een ambt of een functie ten aanzien waarvan de onverenigbaarheid bij landsbesluit isbepaald.

 

Artikel 43 

1. De voorzitter en de overige leden van het College worden bij landsbesluit ontslagen:

a. op eigen verzoek; en

b. met ingang van de eerste dag van de maand die direct volgt op de maand waarin de leeftijd van zeventig jaar wordt bereikt.

2. De voorzitter en de overige leden van het College worden, op voordracht van de Minister, bij met redenen omkleed landsbesluit ontslagen:

a. bij de aanvaarding van ambten of functies die onverenigbaar zijn met het . lidmaatschap van het College;

b. wanneer zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld, dan wel hun bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;

c. wanneer zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele zijn gesteld, in staat van faillissement zijn verklaard, surseance van betaling hebben verkregen, onder bewind zijn gesteld of wegens schulden zijn gegijzeld;

d. bij verlies van het Nederlanderschap;

e. bij het metterwoon verlaten van Curaçao;

f. indien zij uit hoofde van ziekten of gebreken op grond van een mogelijk onderzoek van ter zake deskundigen, blijvend ongeschikt zijn geworden om hun functie te vervullen;

g. bij ongeschiktheid voor hun functie anders dan uit hoof de van ziekten of gebreken;

h. wegens het vervullen van ambten of functies waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van het lidmaatschap van het College of de handhaving van hun onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van bet vertrouwen daarin;

i. wegens handelen of nalaten dat ernstig nadeel toebrengt aan de goede naam van het College en het in het College te stellen vertrouwen.

3. In de gevallen bedoeld in het tweede lid, onderdelen f, g, h en i wordt betrokkene vooraf in de gelegenheid gesteld hiertegen schriftelijk verweer te voeren bij de Minister.

 

Artikel 44

1. De voorzitter en de andere twee leden genieten een vergoeding voor hun werkzaamheden. Deze vergoeding bestaat uit een zittingsgeld alsmede een vergoeding voor eventueel gemaakte kosten in verband met verrichte werkzaamheden.

2. De voorzitter en de andere twee leden mogen zonder toestemming van de Minister geen andere werkzaamheden verrichten waarvoor een beloning wordt genoten indien deze werkzaamheden door hun aard of omvang onverenigbaar zijn met hun werkzaamheden voor het College.

 

Artikel 45

1. Het College heeft een secretariaat, waarvan de ambtenaren door de Minister, op voordracht van de voorzitter, worden benoemd, geschorst en ontslagen

2. De voorzitter geeft leiding aan de werkzaamheden van het College en van het secretariaat.

3. Het College stelt een bestuursreglement vast. Dit bevat in ieder geval regels over het financiële beheer en de administratieve organisatie, alsmede over werkwijzen en procedures met het oog op een goede en zorgvuldige uitoefening van de verschillende taken. Daarbij wordt voorzien in waarborgen tegen vermenging van de toezichthoudende, adviserende en sanctionerende taak van het College.

4. Het reglement alsmede elke wijziging daarvan wordt zo spoedig mogelijk gezonden aan de Minister en behoeft diens goedkeuring.

  

Artikel 46

1. Het College wordt vertegenwoordigd door de voorzitter en de twee andere leden, dan wel door een van hen.

2. De leden stellen een verdeling van taken vast.

 

Artikel 47

Het College stelt jaarlijks voor 1 september een verslag op van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkwijze in het bijzonder in het afgelopen kalenderjaar. Het verslag wordt aan de Minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.

 

Artikel 48

1. Het College verstrekt desgevraagd aan de Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het College de informatie van derden heeft verkregen onder de voorwaarde dat het geheime karakter daarvan wordt gehandhaafd.

 

Artikel 49 

1. Het College kan ambtshalve of op verzoek van een belanghebbende, een onderzoek instellen naar de wijze waarop ten aanzien van gegevensverwerking toepassing wordt gegeven aan het bepaalde bij of krachtens de verordening.

2. Het College brengt zijn voorlopige bevindingen ter kennis van de verantwoordelijke of de groep van verantwoordelijken die bij het onderzoek zijn betrokken en stelt hen in de gelegenheid hun zienswijze daarop te geven. Houden de voorlopige bevindingen verband met de uitvoering van enige verordening, dan brengt het College deze tevens ter kennis van de Minister die het aangaat.

3. In geval van een onderzoek, ingesteld op verzoek van een belanghebbende, doet het College aan deze mededeling van zijn bevindingen, tenzij zodanige mededeling onverenigbaar is met het doel van de gegevensverwerking of de aard van de persoonsgegevens, dan wel gewichtige belangen van anderen dan de verzoeker, de verantwoordelijke daaronder begrepen, daardoor onevenredig zouden worden geschaad. Indien het mededeling van zijn bevindingen achterwege laat, zendt het de belanghebbende zodanig bericht als hem geraden voorkomt.

 

Artikel 50

1. Met het toezicht op de naleving bedoeld in artikel 41, eerste lid zijn belast de leden van het College alsmede de door de voorzitter aangewezen ambtenaren van het secretariaat van het College.

2. De in het eerste lid bedoelde personen zijn in het kader van hun toezichthoudende taak en slechts voor zover dat redelijkerwijs nodig is voor de vervulling van hun taak, bevoegd tot het vragen van inlichtingen, het vorderen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden en het onderzoeken van zaken en vervoermiddelen. Daarnaast zijn deze personen bevoegd een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner. Een ieder is verplicht aan de toezichthouder alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.

3. De in het eerste lid bedoelde personen behoeven voor de uitoefening van de in het tweede lid, tweede volzin, omschreven bevoegdheid de uitdrukkelijke en bijzondere volmacht van het College, onverminderd het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering.

4. Geen beroep is mogelijk op een geheimhoudingsplicht, voor zover inlichtingen of medewerking wordt verlangd in verband met de eigen betrokkenheid bij de verwerking van persoonsgegevens.

5. Het College is desgevraagd verplicht aan de toezichthoudende autoriteiten van de andere landen binnen het Koninkrijk alle medewerking te verlenen voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van hun taken.

 

 

Hoofdstuk 8. Gegevensverkeer met landen buiten het Koninkrijk

  

Artikel 51

1. Persoonsgegevens die aan een verwerking worden onderworpen of die bestemd zijn om na hun doorgifte te worden verwerkt, worden slechts naar een land buiten het Koninkrijk doorgegeven indien, onverminderd de naleving van deze verordening, dat land een passend beschermingsniveau waarborgt.

2. Het passend karakter van het beschermingsniveau wordt beoordeeld gelet op de omstandigheden die op de doorgifte van gegevens of op een categorie gegevens­ doorgiften van invloed zijn. In het bijzonder wordt rekening gehouden met de aard van de gegevens, met het doeleinde of de doeleinden en met de duur van de voorgenomen verwerking of verwerkingen, het land van herkomst en het land van eindbestemming, de algemene en sectoriële rechtsregels die in het betrokken derde land gelden, alsmede de regels van het beroepsleven en de veiligheidsmaatregelen die in die landen worden nageleefd.

 

 

Artikel 25 

1. In afwijking van artikel 51 kan een doorgifte of een categorie van doorgiften van persoonsgegevens naar een land buiten het Koninkrijk dat geen waarborgen biedt voor een passend beschermingsniveau, plaatsvinden indien:

a. de betrokkene daarvoor zijn uitdrukkelijke toestemming heet gegeven;

b. de doorgifte noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst tussen de betrokkene en de verantwoordelijke, of voor het nemen van precontractuele maatregelen naar aanleiding van een verzoek van de betrokkene en die noodzakelijk zijn voor het sluiten van een overeenkomst;

c. de doorgifte noodzakelijk is voor de sluiting of uitvoering van een in het belang van de betrokkene tussen de verantwoordelijke en een derde gesloten of te sluiten overeenkomst;

d. de doorgifte noodzakelijk is vanwege een zwaarwegend algemeen belang, of voor de vaststelling, de uitvoering of de verdediging in rechte van enig recht;

e. de doorgifte noodzakelijk is ter vrijwaring van een vitaal belang van de betrokkene, of

f. de doorgifte geschiedt vanuit een register dat bij wettelijk voorschrift is ingesteld en dat door een ieder dan wel door iedere persoon die zich op een gerechtvaardigd belang kan beroepen, kan worden geraadpleegd, voor zover in het betrokken geval is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor raadpleging.

2. In afwijking van het eerste lid, kan de Minister, gehoord het College, een vergunning geven voor een doorgifte of een categorie doorgiften van persoonsgegevens naar een land buiten het Koninkrijk dat geen waarborgen voor een passend beschermingsniveau biedt. Aan de vergunning worden de nadere voorschriften verbonden die nodig zijn om de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de fundamentele rechten en vrijheden van personen, alsmede de uitoefening van de daarmee verband houdende rechten te waarborgen.

3. Doorgifte van de persoonsgegevens door het land bedoeld in het tweede lid, aan een ander land is slechts mogelijk na schriftelijke toestemming van de Minister, gehoord het College.

 

 

Hoofdstuk 9. Sancties 

 

Paragraaf 1. Bestuursdwan

 

Artikel 53

Het College is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze verordening gestelde verplichtingen.

 

Paragraaf 2. Bestuurlijke boeten

 

Artikel 54 

1. Indien de verantwoordelijke handelt in strijd met hetgeen bij of krachtens artikel 4, derde lid, 27,28 of 64, eerste lid, is bepaald, kan het College hem een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste NAf. 10.0.00,-.

2. Het College legt geen boete op indien de verantwoordelijke aannemelijk maakt dat hem van de overtreding geen verwijt kan worden gemaakt.

3. Bij de vaststelling van de hoogte van de boete houdt het College in ieder geval rekening met de ernst en de duur van de overtreding.

4. De werkzaamheden in verband met de uitvoering van artikel 57 en 58 worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij de opstelling van het in artikel 55, eerste lid, bedoelde rapport en het daaraan voorafgaande onderzoek.

5. De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt indien ter zake van de overtreding op grond waarvan de boete kan worden opgelegd, tegen de overtreder een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht.

 

Artikel 55

1. Indien het College vaststelt dat een overtreding als bedoeld in artikel 54, eerste lid, is begaan en dat daarvoor een boete dient te worden opgelegd, maakt het daarvan een rapport in het Nederlands of in het Papiaments op.

2. In het rapport worden in ieder geval vermeld:

a. de overtreding, onder verwijzing naar het desbetreffende wettelijke voorschrift;

b. een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de overtreding is begaan;

c. de feiten en omstandigheden op grond waarvan is vast gesteld dat een overtreding is begaan.

3. Een afschrift van het rapport wordt toegezonden aan de in artikel 54, eerste lid, bedoelde verantwoordelijke.

4. Op verzoek van de verantwoordelijke die het rapport wegens zijn gebrekkige kennis van het Nederlands of Papiaments onvoldoende begrijpt draagt het College er zoveel mogelijk zorg voor dat de inhoud van het rapport aan de betrokkene wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.

 

Artikel 56

De verantwoordelijke jegens wie een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens een overtreding een boete zal worden opgelegd, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring ofte leggen. De verantwoordelijke wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

 

Artikel 57

1. Het College stelt de verantwoordelijke als bedoeld in artike154, eerste lid, in de gelegenheid om binnen een redelijke termijn naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen.

2. Indien de verantwoordelijke als bedoeld in artikel 54, eerste lid, zijn zienswijze mondeling naar voren brengt en het Nederlands of Papiaments onvoldoende begrijpt, draagt het College op verzoek van de verantwoordelijke zorg voor benoeming van een tolk die de verantwoordelijke kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.

 

Artikel 58 

1. Een boete wordt opgelegd bij beschikking van het College.

2. In de beschikking worden in ieder geval vermeld:

a. de te betalen geldsom;

b. de overtreding ter zake waarvan zij is gegeven, onder verwijzing naar het desbetreffende wettelijke voorschrift;

c. de in artikel 55, tweede lid, onderdeel b en c, bedoelde gegevens.

3. Op verzoek van de verantwoordelijke die de beschikking wegens zijn gebrekkige kennis van het Nederlands of Papiaments onvoldoende begrijpt draagt het College er zoveel mogelijk zorg voor dat de inhoud van de beschikking aan de verantwoordelijke wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.

 

Artikel 59 

De werking van een beschikking als bedoeld in artikel 58 wordt opgeschort totdat de bezwaartermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op het bezwaar is beslist.

 

Artikel 60

De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt vijf jaren nadat de overtreding is begaan.

 

Artikel 61

1. Een boete wordt betaald binnen zes weken nadat de beschikking waarbij de boete is opgelegd, in werking is getreden 

2. Indien niet is betaald binnen de in het eerste lid genoemde termijn, wordt degene die de boete is verschuldigd schriftelijk bevolen binnen twee weken alsnog het bedrag van de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning te betalen.

3. Bij gebreke van betaling binnen de in het tweede lid genoemde termijn, kan het College de verschuldigde boete, verhoogd met de op de aanmaning en invordering betrekking hebbende kosten, invorderen bij dwangbevel.

4. Het dwangbevel wordt op kosten van degene die de boete is verschuldigd bij deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

5. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van het Land.

6. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van het Land kan het Gerecht de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.

 

Artikel 62 

De Minister kan beleidsregels vaststellen over de uitoefening van de bevoegdheid van het College tot de oplegging van boeten.

 

Paragraaf 3. Strafrechtelijke sancties

 

 Artikel 63

1. De verantwoordelijke die in strijd handelt met hetgeen bij of krachtens artike14, derde lid, 27 of 28 is bepaald, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.

2. De verantwoordelijke die een feit als bedoeld in het eerste lid, opzettelijk begaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

3. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. De in het tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.

4. Met de opsporing van de in dit artikel omschreven feiten zijn behalve de bij artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren belast de door de Minister daartoe aangewezen ambtenaren van het secretariaat van het College.

 

Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen

 

Artikel 64 

1. Binnen een jaar na inwerkingtreding van deze verordening worden de gegevens­ verwerkingen die op dat tijdstip reeds plaatsvonden, in overeenstemming gebracht met deze verordening. Bij landsbesluit houdende algemene maatregelen kan de termijn, bedoeld in de eerste volzin, worden verlengd tot ten hoogste drie jaren voor wat betreft de verplichting tot melding.

2. Voor de aanpassing van de verwerking van bijzondere gegevens aan paragraaf 2 van hoofdstuk 2 geldt een termijn van drie jaren met dien verstande dat voor verwerkingen die al plaatsvonden en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van overeenkomsten tot stand gekomen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, niet opnieuw toestemming behoeft te worden gevraagd als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel a.

 

Artikel 65

De Minister en de Minister van Algemene Zaken zenden binnen vijf jaren na de inwerkingtreding van deze verordening aan de Staten een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening in de praktijk.

 

 

Artikel 66 

Deze verordening treedt in werking op een bij landsbesluit te bepalen tijdstip.

 

Artikel 67 

Deze verordening wordt aangehaald als: Landsverordening bescherming persoonsgegevens.